In de History of Data die ik aan het herschrijven en afronden ben, heeft elk hoofdstuk een vast patroon. Naast de (moderne) datatheorie en de historische context van elke periode is de tekst gelardeerd met illustraties en beeldmateriaal, en met vaste secties als Fun Facts, Application to today en War Stories: verhalen uit mijn eigen professionele, maar ook persoonlijke leven, over de rol die data — of in dit geval haar afgeleide, ‘wijsheid’ — daarin heeft gespeeld.
Het herschrijven van zo’n war story, bij het hoofdstuk over het kopiëren van de vastgestelde Bijbeltekst in de middeleeuwen, leidde tot een emotionele herbeleving. En misschien wel tot een kleine openbaring over mijn eigen leven: een intiem moment van Goddelijk besef, een geloof dat God bestaat.
De geestelijke in de familie
Mijn oudoom Girard was deken in het oerconservatieve bisdom Roermond (“bisschop Gijsen”). In zijn hoedanigheid van “geestelijke in de familie” heeft hij mij en al mijn broers en zussen gedoopt, en een aantal neven en nichten getrouwd. Met het pro-life-speldje op zijn revers, en met een afkeurend woord tijdens de ceremonie over het zondige karakter van voorhuwelijks samenwonen — toen al enkele decennia een goed gebruik onder Nederlandse stellen.
De achterbank
Ik was vijftien toen we na zo’n huwelijk samen op de achterbank terugreden. We zouden hem afzetten bij het klooster waar hij prachtig woonde, deze dikke, wijndrinkende en naar sigarenrook ruikende meneer.
Als zo ongeveer de enige van mijn hele klas — en van mijn broers en zussen — was ik überhaupt nog geïnteresseerd in geloof en Bijbel. Mijn opa van moederszijde had een heel manuscript geschreven waarin hij (ruim vóór Dan Brown) een complottheorie over het Paasverhaal meende te hebben ontdekt in oude, pre-canonieke bronteksten, waarvoor hij zich zelfs in het Aramees had bekwaamd. En naast de Bijbel was ik — op die jonge leeftijd vind ik dat zelf nog steeds aanmoedigenswaardig — zeer geïnteresseerd in oosterse en westerse filosofie, en een enthousiaste gymnasiast.
Eigenlijk verheugde ik me erop om eindelijk met een spiritueel professional over geloofsvragen te kunnen spreken. Intiem, op een achterbank, door het donker rijdend.
Dat gesprek was van korte duur. Ik vroeg mijn oudoom of hij Nietzsche had gelezen. Hij ontstak in een woedende driftbui, keek mij niet meer aan, en viel uit tegen mijn ouders: waarom ze me toch dat soort nihilistische dingen lieten lezen, dat leidde nergens toe.
Excommunicatie kent vele vormen.
Baat het niet, dan schaadt het niet
Vast onbedoeld ben ik deze oudoom enorm dankbaar. Hij gaf mij vijftien veilige jaren, omringd door Gods hypothetische zegeningen — baat het niet, dan schaadt het niet, zeiden wij. En hij liet mij definitief inzien dat er in de Rooms-Katholieke Kerk van alles te vinden is, maar niets dat met Jezus, wijsheid of een deugend levenspad te maken heeft.
De openbaring kwam pas decennia later: vanochtend, bij het opschrijven van deze war story. Ik had de symboliek nooit zo bewust beseft: de man van wie ik wist dat hij mij op overtuigende wijze zijn kerk had doen verlaten, was dezelfde man die mij daar als baby welkom had geheten. Ik heb voldoende gevoel voor drama om daar een beetje emotioneel van te zijn geworden.
Kosmisch gelach
Het vreemde is: die ironie bracht mij niet verder van God af, maar dichterbij.
Want zulke ironieën lijken overal te zitten. In mijn eigen leven, en in de geschiedenis van de mensheid die ik voor dit boek bestudeer — zeker als je die evolutie teleologisch beschouwt. Het boeddhisme noemt het kosmisch gelach. Het gevoel dat er iemand is die stuurt, meekijkt en signalen geeft. Dat dingen op hun plek vallen, alsof ze zo hadden moeten zijn. Synchroniciteiten — en soms dus ook ironieën. Alsof er een Ironische Schepper is die Zijn bestaan kenbaar maakt in de ironie waarmee Hij Zijn universum heeft doorregen.
Nu ik op oudere leeftijd daar steeds meer voor opensta, durf ik te zeggen dat ik steeds meer in een God ben gaan geloven. Dit soort in- of co-incidenten helpen mij bij het geloof in Zijn bestaan. Niet de God van het speldje en de afkeurende preek, maar Een die blijkbaar gevoel voor humor heeft.
Het is een mooie persoonlijke les die ik heb mogen leren, naast al die andere lessen die mijn studie naar de History of Data mij heeft gebracht. En naast wat mijn destijds verketterde epistemic drive — mijn inhoudelijke gedrevenheid — mij heeft opgeleverd.
Heeft u wel eens zo’n openbaringsmomentje, waarop dingen in uw leven achteraf op hun plaats vallen — zo van “dan heeft dat kennelijk zo moeten zijn”? Of een andere reden waardoor u ging twijfelen of er niet toch gewoon een God in de hemel is, die wij op aarde zijn om te dienen?
Een war story uit het hoofdstuk over de middeleeuwse scriptoria in History of Data. Eerder schreef ik over hetzelfde hoofdstuk: de Johannine Comma.